27 - 8 / 24 - 9 -2011

Het GEDRAGEN PENSEEL

van STREKEN & TOETSTEN

Wendela de Vries: tekeningen, illustraties, & objecten.

In het werk van Wendela de Vries zijn een aantal lagen te ontwaren, de meest in het oog springende is die van de anecdotische voorstelling, maar meteen in die voorstelling dringt zich ook het handschrift op waarmee de voorstelling is neergeschreven. Kenmerkend voor de door haar gekozen plaats in de beeldende kunst daarbij is dat ze de toeschouwer zeer sociaal ter zijde staat wanneer hij toegang zoekt tot de werkelijke waarden die ze als beeldendkunstenaar vertegenwoordigt; ze wil haar werk graag toegankelijk houden voor iedereen.
Het eigenlijke werk geeft zich niet zomaar en laat zich ook niet gemakkelijk insluiten in afzonderlijke werkgebieden als 'vrij' of 'autonoom'. Terwijl iedere tijd zijn zelfverkozen terminologie kent, dringt de zelfstandigheid van de kunst zich daaraan voorbij en onttrekt zich aan de tijdelijke indelingen; voor alles toch handelt ze.
Wendela de Vries is in haar werk een eerlijke en gedreven Sumi-e kunstenaar, die de gangen van haar penseel begeleid als een Midden-Amerikaanse danseres die met de bewegingen van het bovenlichaam de ritmes voorgeeft die de benen als in een antwoord zullen volgen; een voortdurend vloeiend evenwicht tot expressie makend.
Misschien is wel het eigenzinnigste dat een kunstenaar kan doen: zich zonder bindingen te laten leiden door zijn meest wezenlijke talent, in Wendela's geval 'de volgende lijn' ­ zeker is dat het ondekken daarvan een individueel erg lastige reis is. Het is de mogelijkheid tot het beeldend vorm laten vinden van het principiëel individuele, dat de meeste kunstenaars als het moeilijkste in de ontwikkeling van hun werk ervaren.
In het werk van de penseeltekenaars-van-nature gaat het eigenlijk nergens anders om dan om de uitdrukkingskracht van de lijn zelf. We kunnen dat eigenlijk alleen doorgronden wanneer we in de kunstgeschiedenis kijken naar de welhaast onmenselijk lange reis die de Japanse penseelschilderkunst heeft moeten maken door de tradities van Europa om uiteindelijk iets van enige waardering te krijgen: de paarden, de kippen, de vogels en bloemen; we zien de voorstelling (hebben er weinig waardering voor omdat het voor ons weinig diepgang doet vermoeden, doordat de middelen bij de inhoudsbeschouwing (de iconografie van de voorstellingen) ons niet ter beschikking staan) en zien nauwelijks de rijkdom van penseelvoering die de krachten en zwaktes in kleur, tegenstellingen en spanning van het object en tussen object en omgeving tot de vorm heeft doen leiden die we voor ons zien: een lijn waarin we iedere beweging van de totale arm, tot in de rug en de stand van de voeten, van de tekenaar kunnen navoelen.
De lijn is aldus 'leesbaar'; is fysiek te verinnerlijken en is in die zin sensueel.

Penseeltekenen is de innerlijke lichamelijke en geestelijke bezigheid, of liever overgave, met fascinaties van langdurige, of juist kortstondige aard. Waarbij die fascinatie niet die is van de kunstenaar als toeschouwer alleen, maar vooral ook die van het spel tussen de kunstenaar-als-deelnemend-toeschouwer en het 'model' als ontvanger, of liever toch respondent van de attentie ­ nergens is er overigens de volkomen afhankelijkheid van de 'kunstgebruiker', maar net zo is er nergens de volkomen onafhankelijkheid van de 'mogelijke toeschouwer'.

Wendela weet dat het 'neergepende' het 'bespreekbare' is; voorbij de relatie 'Model ­ Kunstenaar'. Als kunstenaar snijdt zij, een generatie alweer voorbij aan Picasso, het onderwerp werderom aan waar Rembrandt het achterliet: het eigenlijke kijken naar wat zich voordoet ­ zonder duiding à priorie: wat nu als er geen premissen zijn, en ik alleen maar kijk, volg en vastleg ­ "met volle innerlijke deelneming" als het ware?; deze kunstenaar is zich ten volle bewust: 'natuurlijk kijk ik beter wanneer ik me ook verdiep, laat gaan tot diep in mijn onderwerp, en verder er ook een werkelijke relatie mee aanga ­ voorbij de oppervlakkigheid'.
'Model': 'Menselijk, vaak toch Vrouwelijk naakt' (als er dan al een basis is, dan toch zeker de basis in evolutionaire zin) is daarbij het schijnbaar onderwerp. Vraag is: wie kan zich er, na cultureeel erfgoed van bij voorbeeld D.H. Lawrence's 'The Rainbow' of 'Sons and Lovers', nog met het sparen van 'mannelijkheid', onverhoeds door laten verrassen; door de voorkeur na "De Genadeloze Analyse!?
Het eigenlijke centrum van Wendela's bezigheid is, dat ze ­ naast nadrukkelijk de voorbije stellingen (die van de mannetjes en de vrouwtjes) niet meer wil betrekken; laat staan verdedigen; en iedereen die dat wil mag zich er aan ergeren: ze is er als heel gewoon modern mens helemaal niet mee bezig ­ haar penseel haar oog laat volgen, dat seconden ervoor geïnformeerd werd door de krachten die ontstonden bij het peilen van de eigenschappen van het onderwerp; er volgt reactie van haar hand op de heen- en terug-impulsen via haar oog, geleid door fysieke leer-, ervaringsprocessen aan haar hersenen gegeven.
En, ja hoor, als altijd en bij ons allen: hersenen volgen een patroon dat iets te maken heeft met de ervaringen die de eigenaar van die specifieke hersenen hebben gehad; mogelijk toch vooral, met wat de eigenaar van die hersenen zich in de huidige en nadrukkelijke wenselijke situatie heeft voorgesteld dat zijn hersenen als bruikbare impulsen gaat gebruiken als resultante uit het 'gedulde' verleden ­
een kunstenaar is hoe dan ook toch eerder een intelectueel dan het (zo graag gehoorde) impulsieve schilderbeest.
Op de levens-ervaring gestoelde krochten en bochten stuwen dan gewoon (is er zoiets als 'gewoon') de gedachten voort als:
'Het is heel gewoon Liefde; het liefhebben en daarom verbeelden, verklanken, verwoorden!';
passie, ja; maar gerichte passie.

Op zeer subtiele, anecdotische,maar toch zeer verinnerlijkte wijze toont Wendela de Vries haar 'vertellingen' in kwetsbare objecten en instalaties; hier lijkt welhaast sprake van 'de herinnering' ­ bij Wendela is dat vrijwel synoniem met 'belofte' ­ aan 'de natuur' enzovoort, tot uiteraard: de vrouw', waarbij een gemis voelbaar wordt gemaakt dat de weemoed over de oceanen drijft.

Mijn bewondering voor Wendela's werk is die van de bewonderaar van de tekeningen van de kunstenaars van de grotten uit de steentijd. Deze kunstenares volgt, als zij, de impuls die zonder de eigen ervaring geen daadkracht heeft. Deze kunstenares toont schaamteloos; en schaamteloos de schaamte; maar daarmee ook de verleiding tot die schaamte ­ zou schaamte zonder verleiding daartoe kunnen bestaan?; zeker is dat ze de penseel doet dansen, daarbij de spiersamentrekkingen en ontspanningen de aard van de lijn doen geboren laten worden. 'Schaamte' is toch vooral de pulserende innerlijke beweging van die grottekenaar die zich bij iedere streek wist te identificeren met het dier dat hij bejaagde, liefhad en waarvan hij leefde ­ het is de welhaast gracieuze vraag die je jezelf stelt: 'mag ik zo ver toetreden, of zelfs indringen?'

In feite is dus alles wat inhoudelijk is, in de dialoog van deze kunstenares, de feitelijk op haar opningszet gebaseerde stelling: "Hier zijn mijn lijnen" (tekenen kan ze als geen ander en ze kent de aanraking); ze durft het aan openlijk te denken over onderwerpen als de ervaring van fysieke aanraking. In een schijnbaar ontwapenende naïviteit, ver voorbij het persoonlijke ­ daar is het waar ze kunstenaar is ­ is ze de verbeelder van de menselijke aanraking.
Opvallend daarbij is dat ze haar vermogen tot vormgeven graag afhankelijk maakt van de gegeven ruimte die voor de 'manifestatie' aan haar ter beschikking gesteld wordt; daar is haar speelruimte als 'illustrator'. Zo ook doet ze materieele keuzes die meeleidinggevend zijn in de aard van de lijnexpressie; haar collages dragen als het ware de penseel naar zijn ware plek.

Beeldende kunst is voor Wendela de Vries in eerste instantie een twee-spraak, waarin ze de dialoog een beeldende voorzet geeft die vooraf gaat aan de wezenlijke en fysieke dialoog die ze zoekt met de toeschouwer. Een toeschouwer die zich overigens graag met dit al 'uitgedaagd' voelt; ze houdt zichzelf het recht voor daarmee ook te koketteren, te flirten, wanneer dat de dialoog bevorderd.
Daar tegenover is er het gevoel dat voor haar de functie van haar diepste roerselen juist opening heeft en houdt voor de meeste direct emoties van de ander; het gesprek is respectvol.
Maar het gaat om de onaangeroerde basis-voorwaarden die het leven aanreikt door dat 'leven' bloot te stellen aan de confrontatie die 'afbeelding' nu eenmaal is:
kunst is analytische afbeelding in woord, geluid en beeld ­ emotie, de resultante van bruikbare en onbruikbare ervaringen, drijft de hand tot realistie van het kunstwerk.
Het is wel eens gemakkelijk te vergeten hoezeer het een ontegensprekelijk on/genoegen is voor kunstenaars om te moeten functioneren in dat, tijdens de momenten van het eigenlijke werken volstrekt niet er zake doende, geheel dat veel geeft, maar ook veel vraagt.

 

 

Joseph John V. Componist

INDEX