this is the page with translations by Joop; - for his own -original- poetry click here

© Joseph Johannes ( Joop ) Visser
enkele Vertalingen /hertalingen

 

Three Early Middle English Texts:

Winter Comes:

(M)irie is while sumer ilast - Widh fugheles song / Mirth is while summer lasts - With birds' song
Oc nu nechedh windes blast - And w(e)der strong / More so now haughty winds blast - In the strong weather
E-j, E-j, what this nicht (is) long / Aye, Aye, How long is this night
And ich widh wel michel wrong - Soregh and muyrne and (fast) / And I know of such great wrongs - Sorrow, and mourning, and hunger

 

Sorrow:

Foweles in the firth / Birds in the trees
The fisses in the flood / Fish in the streams
And I mon waxe wod / Yet in me grief sulks
Mulch sorw I walk with / I go burdened with sorrow
For best of bon and blod / For those nearest to me

 

Baruch atah, Adonai elohainu, melech haolam, ahshair keedshanu bimetzvotav vtzevanu leeshmoah kol shofar
Blessed are You, Adonai our God, Ruler of the universe, who makes us holy with mitzvot and calls us to hear the sound of the shofar.

As to the "shofar", the 'hornes' mentioned in the following poem:

"And Avraham lifted up his eyes and looked and behold, behind him a ram caught in the thicket by its horns"; This teaches that the Holy One, Blessed be He, showed our father Avraham the ram tearing itself free from one thicket and getting entangled in another. The Holy One, Blessed be He, said to Avraham: "In similar manner are you and your children destined to be caught up in iniquities and entagled in troubles, but they will ultimately be redeemed through the horns of the ram."

The shofar is an animal horn, usually a ram's horn, but it can be made from the horn of any kosher animal except a cow. The shofar has no mouthpiece. It is difficult to blow. Shofar blowers spend many hours practicing before Rosh Hashana.

The shofar blower, or ba'al tekiah, should be someone who is admired in the community.

There are three kinds of notes blown on the shofar. The tekiah is a single blast. The shevarim is a set of three blasts, and the teruah is a set of nine very short blasts. During the shofar service the ba'al tekiah blows three notes in different combinations as they are called out. At the end of the shofar service, a very long tekiah , the tekiah gedolah is blown.

When it is time to blow the shofar, the whole congregation stands and recites the blessing for the mitzvah of hearing the shofar :

Baruch atah, Adonai elohainu, melech haolam, ahshair keedshanu bimetzvotav vtzevanu leeshmoah kol shofar (Blessed are You, Adonai our God, Ruler of the universe, who makes us holy with mitzvot and calls us to hear the sound of the shofar.)

Baruch atah, Adonai elohainu, melech haolam, shehecheyanu vikeemanu v'heegeanu lozzmon hazeh. (Blessed are You, Adonai our God, Ruler of the universe, for giving us life, for sustaining us, and for enabling us to reach this season.)

Lament:

Wel, qua sal thir hornes blau / Now, who is to blow the shofar
Haly Rod thi day / On the day of the Holy Cross
Nou is he dede and lies law / Now that he's dead and powerless
Was wont to blaw thaim, ay / Who(m we) needed to blow it, ay

(2009)

 

 

Naar:

Venantius Fortunatus 'AD GOGONEM'

 

ERUDITIE KOMT TOT VRUCHT en dan tot wijnen bij copieus dineren.

Hier in dit huis, dat jij ­ Gogo ­ vrijgevig deelt.

Jij, Cicero, Apicius onder ons; Ik ben voldaan, ik zou geen hap meer kunnen eten.

Een reerug zelfs zou 'k afslaan nu; de blaas drukt

laatste lucht luidruchtig uit mijn darmen. Waar ossehaas zit

kan geen kalkoen meer komen. Ik voel gehoornden in een strijd met al wat vliegt.

En langzaam zink ik weg in de zwoel-duistere sluimer.

Ik hoor in vaak mijn vers reeds zachtjes kwijnen.

 

Japanse Poesie: de vertalingen zijn gemaakt door het Japans naast oudere Engelse en Franse vertalingen te leggen en de verschillende betekenissen, van woorden in hun mogelijkheden en verhoudingen tot elkaar, tot een nieuwe bewerking te maken.

 

SEAFARER
een voorstel tot een eerste complete Nederlandse vertaling van Joop Visser vindt u op de pagina's van de KALENDERS: het is die van 1998

 

 

Cum ivi ambolare ­ Toen ik ging wandelen

et bene cogitare ­ en mijn gedachten de vrije loop liet

audivi avem adclatire ­ hoorde ik een vogel kwinkeleren

et cessit mihi inde ­ zo kwam tot mij

dolere, suspirare ­ een weedom, die me deed zuchten

 

Seaweed; by Milady Satorihime, 5th Century:

I know you Milord, only

to bring me visits

at a whale's cry

 

I must wade the fields

of Nanorisono

 

Jaufré Rudel ( 1125 - 1150 )

Bij het lengen van de dagen in de Meie

Is't mij 'n-genot, die zoete en vreemde vogelzang

En wanneer dan toch de tijd mij dwingt daarvan te scheie

Bijve mij de herinnering aan een verre liefde lang

Slechts diepe droefenis en een gemoed vol somb're broei

zouden die zang in enigheid met de witte meidoorn bloei

Wel kunnen doen verloren gaan

In een winters, pinkelend ijsgezang

 

 

Ter gelegenheid van de 9de Buchmesse in Wassarschloss-Klaffenbach bij Chemnitz is Joseph John Visser uitgenodigd om in de verschillende talen die hij gebruikt in zijn eigen gedichten, en die voorkomen in zijn gehele werk - ook door vertaling van anderen - een voordracht te doen. Dit is een onderdeel van een project (2009/2010) waarbij muziek, dans en taal een belangrijke rol spelen.
Bij de eerste presentatie, tijdens zijn gast-kunstenaarschap aldaar, was er een kleine persintroductie:

Een Vrijmoedig Liedje.

Caccia di France Detto; Franco Sacchetti (1330 - 1400).

Dit is het kerngedicht van "de CHACE" in de uitgave 'Granaetje nr. 3
gedrukt en uitgegeven door drukkerij Douma Dokkum in 1991.
Deze vertaling is een geheel nieuwe versie uit 2008.

Peinzend passeer ik een kleine bosschage, en

Ontwaar er wat dames die bloemen vergaren.

"Zie deze, zie deze," zo hoor ik ze zeggen;

"Welk is't, hoe heet hij; 't-is een lelie in bloei;

Ga nu maar liever daar naar het viooltje;

Die doorntjes hier die prikkelen mij;

En wat kleven die andere;

Oei-oei toch, wat hopst daar;

't-Is zeker een krekel, komt hier heen, weest vlug;

En laat ons dan nu die rapunzels plukken;

Dat zijn toch niet deze ­ ja zeker, dat zijn ze;

Pak ze ­ oh, pluk ze toch ­ en kom nu hier;

Zie die hoed van de stinkzwam ­ daar dan noch één;

En; pluk zeker wat tijm.

Maar treuzel niet zo, wat het weertje zal omslaan;

't-Zal bliksemen, donderen ­ en vesperen ook;

Toch is-'t nog geen none;

Luister toch, hoor daar toch 't nachtegaalslied;

Dat zingt van het schoonste, het mooist dat gaat komen;

Het beste dat komt nog ­ ik voel 't-wel, 'k-weet niet precies wat;

Waar is 't toch, ­ dààr zit het, daar in het struweel;

Betokkel, beritsel en trommel maar wild;

En zie daar wild zwaaiend, een slang schiet te voorschijn;

Och, arme ­ oh miserabele ­ ik, oh­o ik.

Nu dan allen geschrokken van angst vervuld vluchten;

Valt bevrijdend de plensbui op elkeen neer.

Één glibbert er uit, en één valt er; en ééntje bezeerd zelfs haar voet;

Ter aarde storten nu de guirlanden, wat vergaard was; is verloren;

En zo struikelen ze weg ­ gezegend zij met die benen;

Ik was zo geboeid, toen ik hen daar bespiedde;

Dat ik zelfs niet bemerkte hoe nat ik wel werd.

 

 

© Joseph J. Visser

INDEX