2011 - De Dassenportiek.

De eerste Britse stappen - niet meer tourist zijn, nooit vermoede familie vinden - deed ik met de vrienden die nu (2011, alweer verhuisd) aan de voet van een dassenburcht wonen. Samen met vele anderen legden we een fundament voor de beschermde landschap status van de Wealds and Downs. Dit wel degelijk in de wetenschap hoe moeilijk het is ook fatsoenlijke huisvesting te realiseren - tenslotte begon mijn parallel-architectuurstudie, met volledige inzet van idealen betreffende samenleven in de Bijlmermeer, met een korte stage bij Blom en van der Aa.
Terwijl iedereen wordt gek gemaakt met verhalen over runder-tbc en vernielingen die dassen zouden aanrichten in je tuin, kijken wij in de avondstilte, met veel liefde, na het diner, uit het open raam naar de groep dassen die hier al vele eeuwen in de bovenrand van het dal waarin we wonen leven. Ze eten vooral het gemorst vogelvoer op - de vossenfamilie helemaal beneden in het dal wonend, onder de wortels van de eeuwen oude eik, zullen het hopelijk net zo lang volhouden tegen de oprukkende civilisatie; ze zijn daar eigenlijk beter in. We beseffen korte tijd (een mens doet al met al niet zo heel lang mee) in een ecologisch paradijs te verkeren.

 

My Plaid awa, my plaid awa,
And ore the hill and far awa,
And far awa to Norrowa,
My plaid shall not be blown awa.

­My 'plaid' is the Stewart Old Sett Weathered tartan ­ your calendar designer
Die 'plaid' uit het gedichtje was de 'Mottled Cloak' (1594), of 'Faileadh Mor'; ruim twee maal de ­ zoals bekend toch al fikse ­ maat van de stof waaruit heden een kilt wordt gemaakt.
De kilt diende de drager, die er dus zijn onder- en bovenlijf mee kon omhullen, van picknick-laken tot beddegoed en tent.
Het slechts door een riem rond het geplooide midden bijeengehouden ­ en aan de ongeplooide voorzijde (tamelijk, soms mogelijk ook onbetamelijk) 'open' ­ als 'overslagrok' ruim omgewslagen ­ aan alle zijden fladderende, schapenwollen weefsel spreekt al vele eeuwen tot de verbeelding, zelfs in zijn huidige 'beschaafde' vorm.
Het kledingstuk wordt het in relatie tot de Kelten beschreven in Æneas, Boek VIII, regel 660; en dan pas weer, dan duidelijker, in 1242 en 1249 in Aberdeen, in de kerkelijke boeken. Voor één kledingstuk was de wolopbrengst nodig van een jaar van een gemiddelde kudde; een zeer kostbaar en edel gewaad dus ­ en er is ook met enige helderheid iets mee gezegd over de 'gemiddelde kudde' uit die tijd.
Een tijd waarin we overigens dus ook de Medici-bank in London zien, die geheel en al daar een kantoor heeft dat gespecialiseerd is in de handel in wol met het nog niet zo helemaal Verenigd Koninkrijk.

Portico Meles Meles

De Dassen-portiek

uit reis-aantekeningen van 2010 (tijdens een verblijf op Vicarage Farm, Rogate): 'Ik heb een gesprek met onze local MP met betrekking tot de weer in alle hevigheid oplaaiende discussie over het uitroeien van dassen, 'the cull', om toch maar vooral weer de toch altijd al aan alle kanten ondersteunde boeren economisch tegemoet te komen; met volksgezondheid heeft het echt al sinds de nadagen van de Tweede Wereld Oorlog niets meer te maken ­ medisch is het probleemloos op te lossen. Het gehele bureau is het erover eens dat het wetenschappelijk eerder kwaad dan goed zal doen in de strijd tegen TBC onder runderen, maar we zien ook allemaal, met enige treurnis, dat de oude farming-lobby weer gaat winnen: doodschieten is in sommige kringen nu een maal een oplossing voor alles wat je niet leuk vindt, van vossen tot ganzen, reeën en herten; maar ook roeken ­ nadat gemeentes fanatiek de bomen in het buitengebied eens in de zoveel jaar ('zoveel' is niet veel kan ik verzekeren, boven de vijf kan geen 'kapper' tellen) hebben gekapt (met of zonder 'oude' nesten; 'nesttrouw?', nooit van gehoord!) blijken die vermaledijde 'roeken' (overigens ook een kreet waar vanalles onder valt) nestbomen in de dorpen en steden te zoeken en dat is natuurlijk helemaal uit den boze in met name Nederland.
De idee bijvoorbeeld vossen en ganzen in eenzelfde gebied te hebben is ook nog steeds te moeilijk. Wat mij betreft eerder die vossen dan de weidevogels vermoordende loslopende huiskatten
(ruim dertig miloen vogels per jaar worden naast zo'n 60 miljoen andere wilde dieren, van kiker tot en met het konijn, door de huiskat in Nederland vermoord ­ dat is geen ruime schatting maar een pure telling; in Engeland is dat, geteld door de poezenliefhebbers zelf, 350 miljoen; de eenvoudige extrapolatie van waarmee ze thuis kwamen); maar ik weet ondertussen dat tegen traditionele dood- en verderfzaaiende gedachten nu eenmaal geen kruid gewassen is.

Een vele eeuwen oude dassenburcht ligt langs onze toegangsweg, het nabijgelegen dorp heet niet toevallig, of uit romantische overwegingen Rogate, dat is 'Wildpoort'; het ligt in het overgangsgebied van de Downs en de Woods richting zee en dus het grote graasgebied tussen de talloze stromen; ons pad is al zeker anderhalf duizend jaar een wildwissel, in de schemer komen de dassen in groepjes in onze tuin onderandere valappeltjes (mooie oude rassen trouwens) eten; zo'n twee uur nadat wat naar beneden in het veld tussen biezen en enorme, deels blootliggende, wortels van een gigantische eik een familie vossen voorafgaand aan de nacht nog even bij elkaar langsgekomen is. De openingen van de dassenburcht liggen verscholen onder braam en hazelaar en tussen de enorme wortelstelsels van de eeuwenoude kastanjes en eiken die de windbrake vormen langs de velden.
Als ware het bewuste architectuur, zo ligt er ook een ingang onder een gevouwen ijzeren plaat van een landbouwmachine uit de veertiger jaren; het doet me denken aan wat ooit 'moderne architectuur' heette.

De Das, en ander 'medeleven' waarvan we ons niet altijd bewust zijn.

drie nieuwe vertalingen van gedichtjes uit het Midden en Verre Oosten door Joseph J. Visser

 

I.

 

de 'Wasbeerhond' ­ een Chinees spotdichtje van het schoolplein

 

Was, was, wasbeerhondenballen;

Zelfs zonder een zuchtje:

Heen en weer,

Wiegend, heen en weer weer,

En wéér heen,

En dan hen en omtrent van heinde

(de wasbeerhond (dat is dus geen wasbeer) was ooit inheems in West Europa; in 2010 mochten we in 'het nieuws' vernemen dat er een "plaag van wasbeerhonden Oostelijk Nederland bedreigde" bij navorsing bleek het om drie gesignaleerde exemplaren te gaan waarvan er twee reeds dood waren en één op dat moment bejaagd werd.)

 

II.

 

de 'Ptarmigan' ­ een erotisch Inuït gedichtje

 

Op de top van een sneeuwduin in de toendra,

Stond een kleine Ptarmigan,

De oogleden gerood,

Ruggetje bruin;

En precies tussen de dijen,

Het verrukkelijkste kontje.

(de Ptarmigan was ooit overal te wereld een te gemakkelijk te verschalken winterlekkernij, toen de honger van het ooit primitievere leven voorbij was sloeg de verveelde jacht met geweren op - zulke stomme beesten, ze vluchten nauwelijks, net als zeehonden - een diep gat in de populatie.)

 

III.

 

'Aap en Konijn' ­ gedachte in de vorm van haiku* van Buson over loyaliteiten op de oude dag

 

Wie bezoekt er nog,

Bij kille nachtvorst Heer Aap,

Meester Konijn slechts.

 

* haiku is een zeer bewonderde en geliefde dichtvorm in de westerse wereld.
In vertaling kent het echter een paar onmogelijkheden die in de opbouw van de verschillende talen zelf liggen;
Haiku bestaat uit opeenvolgende groepen van 5, 7 en weer 5 moras.
Een 'mora' laat zich in dit geval op z'n simpelst (en dus krom en erg onvolledig) uitleggen als 'klankbeeld', met dien verstande dat we dan af moeten zien van de betekenis die dat begrip al heeft in het Nederlands ­ het enige dat er in een westerse taal een beetje op lijkt is de lettergreep, maar dat is van een geheel andere orde.
Door midddel van zeer subtiele samenhang-verschuivingen tussen de 'mora' krijgt een begrip een andere betekenis ­ veelal totaal anders; het spel daarmee maakt een belangrijk deel uit van deze poëzie en speelt zich af in het gebied dat in de westerse literatuur de vergelijking of metafoor zou worden genoemd (met alle nuances die daar weer bij horen)
Feitelijk liggen begrippen als alliteratie, assonantie en acconsonantie veel dichter bij, maar daar is niet vaak echt iets mee te beginnen:
"Slaap maar, Man Aap, bij Zwaardvis op klare maannacht" zou in dit geval, zeer banaal maar aardig in de buurt komen, maar slaat ook eigenlijk nergens op / je kunt je afvragen of dat bij de schijnbaar 'dichter op de tekst' vertaling hierboven beter is.
Hoe dan ook 'haiku' is een hachelijke onderneming, en moet het toch maar gewoon hebben van 'het beste equivalent', hoe onbevredigend ook.

 

Geplooid of ge-zigzact,
Ble(aw)
, Italo-Keltisch; verwant met flaere, Romaans; is het stromen van lucht
flabellum: 1. een waaiervormige anatomische constructie (ook in de architectuur, 2. een struifvogel- en/of pauwenveren-waaier.

Aldus de gedachten die de kalender van 2011 vormgaven.

1993 1994 1995 1996 1997
1998 1999 2000 2001 2002
2003 2004 2005 2006 2007
2008 2009 2010 2011 2012
2013 2014 2015 2016 2017

hoofdpagina kalenders/main page calendars

INDEX