foto gemaakt tijdens de inrichting van de tentoonstelling met werk van Jan D. Stropsma; portret en landschapsschilder,
Joure, 22-3-1881 ­ Scharsterbrug, 31-5-1955

  'Huis- en Decoratieschilder' J.D. Stropsma werkte als 'klok- en kast schilder' suggereren advertenties waarmee hij werk zocht.
Archieven daaromtrent zijn door de klok- en kistenmakers in de 'ambachtsstad Joure' nooit serieus, en zeker niet zorgvuldig, bijgehouden.
De gilde-traditie vanuit de verre middeleeuwen, waarin de, ondertussen zelfs vaak weggepoetste, 'polychroom-schilders' van beelden geen naam hadden omdat ze 'slechts' iconografisch te werk gingen, was daarbij leidraad.
Als zodanig waren deze schilders niet met vrije, authentieke schilderkunst bezig; echter, het over de scheidslijnen van disciplines springen was aan de orde van de dag. En juist dat, nu vaak benoemd met kreten als normvervaging en branche-vervuiling, heeft nooit erg bijgedragen tot een grotere waardering van de schilderkunst in het algemeen; de ondeskundige toeschouwer had geen 'peilstok' om de waarden te meten.
Een kunstenaar moest wel heel erg eigenwijs zijn en dat, welhaast voor straf, bovenmatig bewijzen met een buitengewoon talent, wilde hij in die maatschappelijke omstandigheden overeind blijven. De faillissementen van Hobbema, Vermeer, Rembrandt, en ga de rij maar af zouden even bekend moeten zijn als hun boven iedere twijfel verheven kennis, kunde en authentiek meesterschap ­ de meest wonderlijke redenen worden ter verklaring aangevoerd.


Bescheidener talenten, die de huiselijke omgeving liever niet geheel blootstelden aan beschimping door de burgerij, en onvermijdelijke armoede, vestigden zich, zeker in de 19de en 20ste eeuw, als huis- en fabrieksschilder. Dit vooral ook omdat het leertraject, in een omgeving die arm was aan grote leermeesters met privé ateliers, gelijk was voor allen in de nuts-, vak-, teken-, of ambachtsscholen. Het tekenonderwijs was daarbij door de regering erkend als nuttig voor de leerling om dienstbaar te zijn aan onderdelen van andere, voorwaar nuttiger, vakken.
Het leren kennen van de denk- en inzichtsprocessen, die deel zijn van wezenlijk creatieve bezigheden in wat we nu noemen 'de kennismaatschappij',  zou nog erg lang op zich laten wachten ­ is tot op heden nog niet echt doorgedrongen, om niet te zeggen dat het op dit moment zelfs met het domst dedain teruggedrongen wordt; waar in de tijd van Jan Stropsma het tekenonderwijs vooral geconcentreerd was rond het leren construeren van patronen en ornamenten ten dienste van de ambachten, worden nu jongeren afgericht op computergebruiik middels spellen die niet het inhoudelijk- en zelfstandig denken maar de bewegingscoördinatie optimaliseren voor wat we niet meer 'de ambachten' mogen noemen.
Tegen een dergelijk decor moeten we de lezer, denker, doener, maar vóór alles zoeker, zeg maar gerust 'dwarsligger' Jan D. Stropsma plaatsen; bewijsbaar las hij boeken als 'De stenen Spreken', een voor die tijd (1936) belangrijk boek dat deel uitmaakte van de intellectuele wereld, die zich ontworstelde uit de macht van de clerus, en maakte daar aantekeningen uit, hij was een actief musicus, maakte huiselijke, maar steeds toch boven het huisvlijt-niveau uitstekende, gebruiksvoorwerpen op de wijze van de Chinese lakdozen,

beschilderde natuurlijk klompen, maar ook vele, vele glazen (mand-)flessen met art deco patronen (we kennen dat nu nog vooral van Delfts plateel) en maakte veelsoortig houten speelgoed voor zijn 'pake-zeggers' (waaronder lampionnen en kapstokjes), een wandschildering in een fabriek (die verloren is gegaan) en was actief (ten minste als decorschilder) bij het toneel betrokken. Wanneer je begint te overzien wat zijn schilderend oeuvre omvat ­ zoals landschappen, velerlei ontwerpen, kistjes en dozen, portretten (meer portretten dan vòòr deze tentoonstelling werd vermoed), versieringen en veelsoortige ornamenten (gesneden, geschilderd en getekend) ­ is het nauwelijks te bevatten hoe hij de tijd lijkt te hebben gekneed.

Waardering voor kunst is per definitie aan mode onderhevig en dat heeft in alle tijden veel verloren doen gaan. Landschappen hebben daarbij een grotere overlevingskans dan portretten, maar gelukkig zijn ook van de portretten enkele zeer opmerkelijke bewaard gebleven (al zijn ook enkele aan restauratie toe); een portret van Abe Lenstra, dat uit de nalatenschap van mevrouw Lenstra in deze tentoonstelling is opgenomen, is daarvan een voorbeeld.
Waardevol voor 'de atlas' van de gemeente (dat is de verzameling historische afbeeldingen van de, vooral gebouwde, omgeving aan de hand waarvan historisch onderzoek kan worden gedaan en bijvoorbeeld verantwoorde 'welstands'adviezen kunnen worden gegeven) zijn er vele zeer aantrekkelijke, en soms dus ook belangrijke, schilderijen en tekeningen bewaard gebleven, liefdevol gekoesterd in menig huiskamer ­ ik betwijfel of de gemeente, die Joure wenst te profileren als 'ambachtsdorp', al wel heeft bedacht dat nù wel erg veel geld valt te besparen op mòrgen; deze Stropsma's gaan nu al niet meer voor het anekdotische 'handje tabak' over van de ene eigenaar naar de ander. In dat verband is het goed toch ook te bedenken dat er tegenwoordig zelfs in hardvochtig handelsland Nederland al serieus gedacht wordt over 'volgrecht'; in relatie tot het werk van kunstschilders/huisvaders als Jan Stropsma moge duidelijk zijn dat het rechtvaardig is dat wat voor het kleine meesterschap van opa aan het gezin werd onthouden nu bij stijgende prijzen percentsgewijs wordt afgerekend met kinderen en kleinkinderen.
Het doet deugd te ervaren dat hij in zijn eigen tijd meermaals is geëerd met een prijs - het is overigens toch eigenlijk nooit zo dat kleine of grote kunstenaars tijdens hun leven echt niet worden erkend door ten minste de vakbroeders en zusters, vaak uit zich dat in onderling ruilen van werk
Onder de titel: 'Jan Stropsma, een verdienstelijk amateur uit Scharsterbrug' schreef Harrie de Vries een eerste monografie over deze kunstenaar in 'Ut eigen Gea' Nr.24 - 2011.
Het zou zeer verstandig zijn wanneer deze tentoonstelling, en de aanloop daartoe waarbij nog veel meer werk werd getraceerd, wordt gebruikt om een eerste opzet te maken voor een oeuvre catalogus, het zou ook bijdragen aan de kennis over 'het ambacht' dat nooit zonder de kunst aan zijn zijde zal kunnen bestaan omdat het er nu eenmaal uit voort komt en er door gevoed wordt.

Nu bij de voorbereiding voor deze tentoonstelling vooral zoveel beter bovenwater is gekomen dan in de verte vermoed kon worden kan het welhaast niet uitblijven (ik hoorde al dergelijks) dat Harrie de Vries een naschrift weidt aan de portretschilder Jan D. Stropsma. Er zijn tenslotte ook enkele voor de streek opmerkelijke mensen door deze broodschilder (kan iemand mij uitleggen hoe de negatieve connotatie bij dat woord te rechtvaardigen is) geconterfeit.